Jodendom

Op begraafplaatsen van de Grote Oorlog word je bevangen door de duizenden witte grafstenen. Plots valt je oog op een grafsteen met een kei. Het is de laatste rustplaats van een joodse soldaat. In mijn verbeelding zie ik een joodse jongen die halt houdt bij dit graf en uit zijn rugzak een steentje haalt. Heel langzaam legt hij het op het graf, zet zijn keppel op en bidt het Kaddisjgebed: ‘Moge Zijn grote Naam geprezen zijn in alle eeuwigheid’. In dat loflied op de God van Israël spreekt hij zijn vertrouwen in de toekomst en de verlossing van de wereld uit.

Waar de dood zijn intrede doet of aanwezig is, weerklinkt steevast dit gebed. Bij het graf drukt de joodse gelovige zijn verscheurdheid uit door een scheur te maken in zijn kledij. Elke uitnodiging voor een feest tijdens het eerste jaar na een overlijden wordt genegeerd. Er bestaat eigenlijk geen ‘officiële leer’ over het leven na de dood. Sommige joodse geloofsgemeenschappen zijn ervan overtuigd dat de gestorvene in een ‘toekomstige wereld’ zal wonen als hij of zij weinig of geen kwaad verrichtte.

Daarnaast is er het geloof dat de dode zal herrijzen. Daarvoor verwijzen ze naar de teksten over de doodsbeenderen van het visioen van de profeet Ezechiël. De kerngedachte klinkt in het gebed: ‘Uw gelofte de doden te doen herleven, is geloofwaardig, Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die de doden doet herleven.’

Het achttiengebed dat drie keer per dag wordt opgezegd, vertolkt heel sterk het geloof in de heropstanding van de doden. Achttien (chai) verwijst in het Hebreeuws naar leven. Dat gebed houdt de jood overeind, net zoals achttien wervels een mens staande houden. De heropstanding wordt verbonden met de Messiaanse tijd. De Messias zal aan de rechtvaardigen de kans geven om uit de dood op te staan. Elk mens wordt opgeroepen zich op te maken om aan het feestmaal aan te schuiven. In het jodendom kan iemand met een andere geloofsovertuiging door ‘rechtvaardigheid’ ook een plek aan de feesttafel krijgen. Toch is het een misvatting dat joden door de strikte naleving van de 613 geboden en verboden een plaats in de Olam Ha-Ba (de toekomstige wereld) ‘verdienen’.

In zekere zin kun je zeggen dat het jodendom zich minder op het hiernamaals richt en meer op het hiernumaals.

de Redactie

Tekst: Hugo Verkest