Hindoeïsme

Een hindoe ervaart de dood als een bevrijding. De overledene kan overgaan naar een nieuw bestaan, dat naar gelang zijn karma – de combinatie van goede en slechte daden – in verschillende levensvormen kan reïncarneren. Reïncarneren doe je dus niet noodzakelijk als een mens, je kunt ook in een dier reïncarneren. Om de bevrijding helemaal mogelijk te maken, moet de dode verbrand worden. Alles wat niet verteerd werd door het vuur moet fijngemalen worden. Samen met bloemblaadjes wordt de as uitgestrooid, liefst over de Ganges. Reïncarneren doe je volgens het hindoeïsme niet onmiddellijk na het overlijden. In de tussentijd is de overledene een geest die geen rust kent. Daarom brengen nabestaanden eetbare offers aan de doden.

Dood en leven hangen nauw samen. Wie als een goede hindoe heeft geleefd, heeft voor zijn volgende leven een goed karma opgebouwd. Wie een volmaakt karma heeft reïncarneert niet meer, maar bereikt moksha, bevrijding van de eeuwige cyclus van het leven.

Als een stervende hindoe buiten bewustzijn is, reciteert een familielid zachtjes een mantra in zijn rechteroor. Hij krijgt ook heilige as op het voorhoofd. Het dode lichaam wordt bij de ingang van het huis met het hoofd naar het zuiden gelegd. Dat kan op een draagbaar of op de grond, beide symbolisch voor de terugkeer in de schoot van Moeder Aarde. Op een beschutte plek voert een priester een vuurritueel uit.

Alleen de mannen wonen de eigenlijke crematie bij. Ze dragen twee potten mee: een aardewerken pot met water en een pot met gloeiende kolen uit het homa-vuur. De mannen offeren net als de vrouwen gepofte rijst, bedekken het dode lichaam met hout en offeren wierook en conserverende boter (ghee). Met de aardekruik op zijn linkerschouder gaat de voorganger rond de brandstapel. Hij houdt een brandende fakkel achter zijn rug. Bij elke bocht rond de brandstapel slaat een ander familielid met een mes een gat in de aardekruik. Zo kan het water eruit stromen. Dat is symbolisch: het leven verlaat het omhulsel. Na drie rondgangen laat de voorganger de pot vallen. Zonder zich om te draaien naar het lichaam steekt hij de brandstapel aan en verlaat de plek. De andere mannen volgen zijn voorbeeld.

Hoewel ze het rouwen nooit onderdrukken of ontkennen, waarschuwen de heilige geschriften (Veda’s) tegen overvloedig geklaag en stimuleren ze een vreugdevolle uiting. De vertrokken ziel is zich volgens de overleveringen zeer bewust van de emotionele krachten die zich aan hem of haar hechten. Langdurig verdriet van nabestaanden houdt de ziel in het aardse bewustzijn en belemmeren de volledige overgang naar een nieuw bestaan.

de Redactie

Tekst: Hugo Verkest