De vuuraanbidders

Een Kerstlegende, geschreven door Auke Jelsma.

Deze legende werd in de 13e eeuw dankzij Marco Polo ook in West- Europa bekend. Op zijn reis naar China was hij in het huidige Iran op de drie praalgraven van Melchior, Balthasar en Caspar en op de gemeenschap van de vuuraanbidders gestuit.

Wijs waren ze, alle drie, Melchior, Balthasar en Caspar. Eigenlijk was dat het enige dat ze gemeen hadden, behalve dat zij ook nog in dezelfde nacht dezelfde ster hadden gezien. Balthasar was de jongste. Diep in zijn hart zag hij tegen de anderen op. Die waren al zo lang wijs. Hij kwam zelf pas kijken, vond hijzelf. Dat de andere twee niet op hem neerkeken, dat zij soms zelfs jaloers waren op zijn jeugd, op de lenigheid van zijn geest, wist hij natuurlijk wel, maar dat nam zijn ontzag voor hun levenservaring, niet weg. Caspar had een zwarte huidskleur en was van middelbare leeftijd. Inmiddels had hij wel ontdekt dat de beide anderen hem vanwege zijn huidskleur zeker niet geringer achtten, dat het kleurverschil hen amper meer opviel. Maar vanaf zijn kinderjaren was het gevoel nu eenmaal bij hem ingebakken dat blanke mensen zich zonder enige reden tegenover mensen met een andere huidskleur superieur voelen. Hij dacht daarom altijd wat langer na voordat hij zijn mening tegenover anderen uitsprak. Hij wilde eerst heel zeker van zijn zaak zijn. Elke keer keek hij er weer van op, dat een jonge man als Balthasar er soms zomaar wat uitflapte. Melchior was de oudste van de drie. Als het behoedzame respect van de beide anderen hem dat al niet duidelijk genoeg maakte, deed zijn eigen lichaam dat wel. Alleen al vanwege diens vitaliteit voelde hij een heimelijk ontzag voor Balthasar. Zo onvermoeibaar kunnen zijn, dat beleefde hij hooguit nog in zijn dromen. Ze leken absoluut niet op elkaar, die drie wijzen uit het oosten. Behalve dus dat zij uren naar de sterren konden turen en zorgvuldig aantekeningen maakten van wat zij in het hemelruim aantroffen: vallende sterren, kometen die door onzichtbare reuzen aan hun staart rondgeslingerd werden, nieuwe melkwegstelsels, onverwachte en onverklaarbare verschijnselen. En nu dan een, als uit de hemel gevallen, nieuwe ster!  Ze hadden elkaar opgezocht en ze vergeleken hun bevindingen.

Het was geen komeet die voorbij raasde, niet een nieuwe maan, maar zeer beslist een nieuwe  ster! Dat kon niet anders. Maar wat had die ster te betekenen? Welke gebeurtenis was er van zo’n aangrijpende aard geweest dat daarmee een verandering in het heelal gepaard had moeten gaan? Turend naar de hemel boven hen overdachten zij de mogelijkheden. ‘Er is iemand gestorven’, meende Balthasar. Iemand die koninkrijken aan zich onderworpen heeft, iemand door wie voorgoed de wereldgeschiedenis van slag is geraakt. Caspar opperde de mogelijkheid dat door een aardverschuiving of een overstroming, ergens op aarde een heel volk, een heel land ten onder was gegaan. De stervenskreet van de miljoenen had zich samengebald tot een ster. Maar dat verklaarde de beweeglijkheid van de ster niet, meende Melchior. ‘Er moet zich juist een geboorte hebben voorgedaan’, zei hij beslist. Na enig nadenken knikten de anderen. De plaats van de ster in het heelal zou moeten corresponderen met de plaats waar het kind geboren was. Dat zij onafhankelijk van elkaar, maar gelijktijdig het ontstaan van de nieuwe ster hadden waargenomen, was uiteraard niet zonder reden gebeurd. Ze waren klaarblijkelijk de uitverkorenen op wie de plicht rustte de nieuwgeborene te begroeten. Terwijl hun ogen de nieuwe ster aan de horizon vasthielden, overdachten ze wat het passende geschenk bij hun begroeting zou kunnen zijn. Drie geschenken zouden zij meenemen, besloten zij ten slotte, waaruit de nieuwgeborene kiezen kon: goud, wierook en mirre. Nam hij het goud aan, dan was hij ongetwijfeld een koning. Gaf hij de voorkeur aan mirre, dan konden ze een nieuwe heelmeester begroeten. Mocht hij de wierook kiezen, dan moest hij een god zijn. Vol opwinding maakten zij zich voor de reis gereed. 

Na een lange reis bereikten ze de plaats van bestemming. Een eenvoudige stal op een glooiende helling in de omgeving van Bethlehem. Ze keken elkaar met opgetrokken wenkbrauwen aan. Een stal? Ze keken nog eens omhoog. Dit was toch echt de plaats, waarheen de ster hen had geleid. Ze lieten zich van hun kamelen op de grond zakken. Melchior masseerde zijn stijf geworden spieren. Wantrouwig nam Caspar de omgeving in zich op. ‘Ik ga de zaak verkennen ’besloot Balthasar. Hij had wel behoefte aan wat lichaamsbeweging. Voordat de anderen reageerden, liep hij al de stal in. Hij slaakte een kreet van schrik. Hij knipperde met zijn ogen en keek nog eens. Alsof hij voor een spiegel stond! Die nieuwgeborene was nota bene van dezelfde leeftijd als hijzelf en leek ook nog sprekend op hem. Als twee druppels water zelfs. Om gek van te worden. Dagen en nachten lang op reis, om ten slotte bij jezelf uit te komen! Absurd, wat is er hier aan de hand? Geschrokken haastte hij zich naar buiten. Hij probeerde onder woorden te brengen, wat hij had beleefd, maar hij was nog zo van streek dat hij met stomheid geslagen was. Caspar haastte zich de stal in. Wat had zijn jonge vriend zo in verwarring kunnen brengen? In het halfduister keek hij om zich heen. De nieuwgeborene was zwart, zag hij nu, net als hijzelf. Was Balthasar daarom zo van streek geraakt? Had hij het niet kunnen verwerken dat zich een nieuwe ster manifesteerde ter ere van iemand die een donkere huidskleur had? Zo kleingeestig zou Balthasar toch niet zijn? Hij keek nog eens beter. Toen begreep hij pas goed waarom de ander zo geschrokken was. De nieuwgeborene was niet alleen zwart. Hij was het zelf die daar in het stro lag! Zich in de ogen wrijvend liep hij de stal uit. Nu kon ook Melchior zijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen. Met eigen ogen wilde hij zien wat de anderen beleefd hadden. Maar ook hij onderging dezelfde ervaring als de anderen. In gedachten verzonken kwam hij naar buiten. Hoe kon de nieuwgeborene een oude man zijn? Onder de nachtelijke hemel wisselden zij hun ervaringen uit. Ieder was in de stal dus met zichzelf geconfronteerd geraakt! Hier deed zich iets uitzonderlijks voor. Ze besloten gelijktijdig de stal in te gaan en slaakten een zucht van verlichting. Het was alsof het heelal tot rust kwam, want de wereld was weer zoals het behoorde te zijn. De nieuwgeborene was een kind van een paar maanden oud. Dat kwam wel ongeveer overeen met het tijdstip waarop zij de ster voor de eerste maal hadden gezien. Het kind kraaide van plezier, toen zij hem behoedzaam naderden; alsof hij wist welke poets hij hen gebakken had. De drie wijzen hielden hem hun geschenken voor: goud, wierook en mirre. Tot hun verwondering aanvaardde hij ze alle drie. Hij was dus niet onder één noemer te vangen. Hij was het allemaal,  koning, god en heelmeester tegelijk. Geen wonder dat zijn geboorte een nieuwe ster tot stand had gebracht! Ze wilden alweer weggaan, maar de moeder van het kind riep hen terug. De baby had iets in zijn handen. De oude Melchior zakte op zijn knieën en nam het aan. Een klein kistje. Hij keerde het om en om. Een opening zat er niet in, leek het wel. Vragend keek hij de vrouw aan, die hem vriendelijk toelachte.” Voor als u weer thuis bent ”zei ze. 

Tijdens hun terugreis waren de wijzen onrustiger dan ooit. Het bezoek had hen onmiskenbaar in verwarring gebracht. Koortsachtig wisselden zij, schommelend op hun kamelen, in de brandende zon of in de kilte van de nacht, ideeën uit. Het ene nog fantastischer dan het andere. Dat het kind alle drie de geschenken had aangenomen, daarover raakten ze niet uitgepraat. Hoe kon de nieuwgeborene tegelijk koning, god en genezer zijn? Hoe zou hij zich bij het ouder worden ontwikkelen? Hij zou de hele wereld kunnen beheersen en niets zou voor hem onmogelijk zijn. En dat zij juist waren uitverkoren om zijn ster te mogen zien. Waarom juist zij? En wat had het te betekenen, dat zij zijn ware gedaante pas konden zien, toen zij gemeenschappelijk de stal ingingen? Ieder voor zich kwam niet verder dan zijn eigen spiegelbeeld. Alleen tezamen herkenden ze hem…Hadden ze elkaar soms nodig,om de nieuwgeborene te kunnen zien? Leken ze alleen op hem, als ze bereid waren elkaar aan te vullen? Raadsels. Toen brak het moment aan dat één van hen het kistje tevoorschijn haalde. Er zat iets in, dat was wel duidelijk, maar wat? Waarom had het kistje geen opening? Moesten ze echt wachten tot ze weer thuis waren, voordat de inhoud onthuld mocht worden? Na enkele dagen kon Balthasar zich niet langer bedwingen. Zij hadden voor de nacht tussen enkele palmbomen bij een oase hun tent opgezet. De maan legde een patroon van lichtstrepen om hen heen. Het water van de bron glansde. Balthasar hield het kistje tussen zijn knieën. Hij had een mes in zijn hand. Toch wat onzeker keek hij naar de anderen. Caspar drentelde heen en weer en haalde zijn schouders op, Melchior knikte langzaam. Toen aarzelde Balthasar niet langer. Hij dreef het mes in het hout en brak het kistje krakend open. Melchior had, zonder dat hij het zich bewust was, de adem ingehouden. Hij slaakte een diepe zucht, toen hij zag wat Balthasar in zijn hand hield. Die tuurde in zijn hand, alsof het niet tot hem doordrong wat erin lag, alsof hij het niet wilde geloven. ‘Alleen maar een steen’ constateerde Melchior. ‘Een doodgewone steen’. Het was net of Balthasar nu pas wakker werd. ‘Een steen’ zei hij teleurgesteld. Hij deed een stap naar het meertje en wierp de steen in het water. Stenen waren er genoeg. Die hoefden zij niet langer met zich mee te dragen. Maar… een steen die een zuil van vuur uit het water doet ontstaan, was bepaald niet alledaags! Met open mond stonden ze naar het fenomeen te kijken. Caspar was de eerste die tot bezinning kwam. Hij haalde een pot uit de tassen van zijn kameel en boog zich over het brandende water heen. Zorgvuldig schepte hij de pot vol. Het water bleef branden. Om de beurt droegen zij de pot met zich mee, alle dagen van hun reis, tot ze weer thuis kwamen. Onafgebroken was het vuur blijven branden. Ze raakten er niet over uitgedacht, Melchior, Balthasar en Caspar. Rots, water, vuur. Een koning, een god en een heelmeester. Het grootste geheim uit de menselijke geschiedenis had zich met de geboorte van dit kind voorgedaan. Ze bouwden met liefde een tempeltje om het brandende water heen. En langzamerhand verbreidde zich het verhaal van de drie wijzen, die vuuraanbidders waren geworden. Vuuraanbidders, die er zeker van waren, dat zij hun koning, god en heelmeester gevonden hadden. Drie heel verschillende mensen, die elkaar zo wonderlijk goed hadden aangevuld. 

Bewerkt door Ruth Cooiman, www.zorgvanwiegtotgraf.nl 
 
 

Ruth Cooiman, ambassadeur van het Landelijk Expertisecentrum Sterven, is verpleegkundige antroposofische zorg